Rêst sêft, Jeen

Willem AmmerlaanTerwijl de hele marathonfamilie smeekt om nieuwe helden, kneep een van Neerlands grootse schaatslegendes er  geruisloos tussenuit. Jeen van den Berg, winnaar van de elfstedentocht van 1954, zesde twee jaar later en de nummer drie van de barre tocht in 1963, die werd gewonnen door Reinier Paping.

Jeen is niet vergeten en kreeg meteen al overal op radio en televisie de eer die hem zo toekomt. De grote kleine man, de Friese onderwijzer uit Nij Beets, een weergaloze schaatser, die je als jongetje op de lagere school altijd zo graag wilde zijn.

‘En dan was ik Woutje Wagtmans’, claimde je dan bij je vriendjes als je samen zij aan zij, gebogen over het stuur het maximale uit je ouderwetse jongensfiets wilde persen.

En in de winter op het ijs wilde je dan vooral Kees Broekman of Jeen van den Berg zijn.

Het was een voorrecht dat ik Jeen de laatste tien jaar van zijn leven heb mogen kennen. Ik hem méér dan hij mij, want hij was wat vergeetachtig aan het worden.

Maar wat hoor ik dan zo’n ijdeltuit van een Smeets weer beweren aan de tafel van De Wereld Draait Door?

‘Jeen dementeerde de laatste jaren héél vervelend. Héél erg eigenlijk’.

Wat een onzin. Jeen was al een stukje in de tachtig en ging niet meer zo ver van huis. Dus zag je hem hoofdzakelijk nog langs het ijs in Heerenveen. Altijd een vrolijke lach en in voor een praatje als hij ons zag staan. Met mijn vriend  Rien de Roon had hij nog samen in een ploeg voor een fabrikant van honden- en kattenvoer geschaatst. “Ik ken jou nog wel”, lachte hij dan en priemde zijn wijsvinger in de richting van Rien. “Met jou heb ik nog mooie wedstrijden gereden”.

Later in het seizoen was ik een keer zonder Rien in Thialf en liep Jeen opnieuw tegen het lijf.  En weer was het: “Ik ken jou wel hoor”. Ik glimlachte wat ongemakkelijk, want ik stond toch oog in oog met de koning. “Jij bent die vriend van Rien”.

Ik heb me zelden zo trots gevoeld.

Rêst sêft, Jeen.

Willem Ammerlaan