Hoe leuk is het nog?
Hoe leuk is marathonschaatsen nog als je de eerste honderd rondjes van de koers eigenlijk wel kunt missen en de echte strijd pas in het laatste kwartier begint?
Dan heb je nòg geluk, want vaak is de boel tactisch al dichtgetimmerd en moet de koers beslist worden in een massasprint. Heb je de laatste rondjes strijd en spanning, maar zat je verder dik een uur naar een doodsaaie wedstrijd te kijken.
Het mag wat dubbel klinken, maar aan de kwaliteit van de rijders ligt het niet. Die worden alleen maar beter. Perfect getrainde atleten, die steeds harder gaan.
‘Allemaal veredelde langebaanrijders, die eigenlijk geen echte marathonschaatsers meer zijn’, filosofeerde good old Rien de Roon langs de baan in Haarlem. ‘Er wordt zó hard gereden dat het statistisch bijna niet meer mogelijk is om weg te rijden en weg te blijven.’
Dus rijden ze met z’n allen in een moordend tempo die eerste honderd rondjes en dan maar hopen dat het zuur in de benen ook bij de controleurs zo heeft toegeslagen dat er in dat laatste kwartier toch nog ruimte komt voor actie en spektakel.
Prijs je rijk met een organiserende groep oud-marathonschaatsers die er zoals in Haarlem, samen de schouders onder zet en een volle bak publiek naar de ijsbaan trekt. Dat verplicht òp het ijs natuurlijk ook. En wel van de eerste tot de laatste minuut.
Aanvallen, ontsnappingen, de beuk er in. Tegen beter weten in, maar soms lukt het. Daar komen de mensen voor en hoor ze juichen als die ‘domme’ Jouke Hoogeveen het gas erop zet en de vrijbuiters van De Uithof er weer eens zinloos inkletsen.