Had ik maar één zo’n been
Het prettige van ouder worden is dat je tamelijk risicoloos je eigen sportprestaties uit een ver verleden kunt aandikken.
Het is zó lang geleden dat de getuigen van toen het toch niet meer weten en Wikipedia zou er destijds ook al geen melding van hebben gemaakt. Niet te controleren dus.
Omdat ik nogal eens tussen oud-schaatsers verkeer mag ik graag verhalen over de tijd dat ik als jongetje in Harderwijk op de lagere school klassiek achter een keukenstoel schaatsen heb geleerd van mijn buurjongen Leentje Pfrommer.
En dat ik later, verhuisd naar Deventer, op splinternieuwe Ballangruds, cadeau voor mijn eindexamen van de middelbare school, mijn trainingsrondjes meedraaide achter de gebreide trainingsbroek van de latere Olympisch kampioene Ans Schut.
Als jongeman van zeventien met een wat opstandige hormoonhuishouding kreeg je daar al wel wat fantasieën bij, maar tegen een adonis als Jaap Boekema was je kansloos. Ze is al heel lang oma en nog altijd gelukkig met hem getrouwd.
Om kort te gaan, het is dus nooit wat geworden. Niet met Ans, maar ook niet met een sportcarrière. Laat ik er maar eerlijk over zijn, ik was er te lui voor.
En als ik zie wat al die jongens en meisjes in het marathonschaatsen er nu allemaal voor moeten doen, dan is het verstandig geweest dat ik maar gewoon journalist ben geworden.
Soms knaagt het wel, zoals in Den Haag, waar ik Gary Hekman met zo veel overmacht zag winnen.
Dan denk ik, vrij naar Godfried Bomans: “Had ik maar één zo’n been”.